Archeologie/ Egyptologie

Archeologische expedities van Nederland en Vlaanderen voor wie het NVIC als belangrijkste dienstverlenend instituut in Egypte fungeert door andere bemiddeling met Supreme Council of Antiquities (SCA), de musea en andere Egyptische overheidsinstanties.

Egyptisch Museum Strijdwagen Project (EMCP)

Dr. Veldmeijer en Dr. Salima Ikram 

 
Dr. Veldmeijer en Dr. Salima Ikram coördineren samen het Egyptisch Museum Strijdwagen Project (EMCP) in nauwe samenwerking met de conservatie afdeling van het Egyptisch museum en verscheidene andere internationale specialisten


De Leidse Opgravingen in het Nieuwerijks grafveld van Sakkara

Prof. Dr. Maarten Raven / Dr. C. Greco

Een gemeenschappelijk project van het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) en de Egypt Exploration Society (EES) legde van 1975 tot 1998 een tiental elitegraven bloot in de Nieuwerijks necropolis ten zuiden van de piramide van Oenas, daterend van de tijd van Achnaton tot de vroege Ramessidische periode (18e-19e dynastie, ca. 1350-1200 v.C.). Sinds 1999 is de plaats van de EES overgenomen door de Opleiding Egyptologie van de Universiteit Leiden en zijn 6 volgende graven aan het bestand toegevoegd.

Het oorspronkelijke doel van de expeditie was het achterhalen van informatie over de graffragmenten en beelden in het RMO. De overvloedige gegevens maken echter veel verder reikend onderzoek mogelijk betreffende de wijze waarop dit grafveld functioneerde (b.v. patronen met betrekking tot de ruimtelijke en chronologische verspreiding, de offercultus, toegang en communicatie, het architectonisch en iconografisch ontwerp, de sociale status, demografie en het hergebruik door latere perioden), en daarmee van de dynamiek van diverse subsystemen van de Egyptische cultuur. Het project houdt een website bij en wordt gesteund door een vereniging van Vrienden van Sakkara.

De belangrijkste vondsten waren de graven van  Horemheb (1975), Maya (1986) en Pay (1994) – allen hoge ambtenaren van koning Toetanchamon – en van Meryneith (2001) en Ptahemwia (2007), die farao Achnaton dienden. In 2013 werd een anoniem graf gevonden dat nog verder moet worden onderzocht. Ook enkele ondergrondse galerijen uit de Vroegdynastische Periode (ca. 2800 v.C.) die onder de graven van Maya en Meryneith zijn aangetroffen, worden momenteel nog bestudeerd. In 2011 is het terrein voor bezoekers geopend, na de afsluiting van een omvangrijk project van site management en consolidatie.

Voor meer informatie en een lijst van publicaties, zie: http://www.saqqara.nl/

Tell Ibrahim Awad

Dr. Willem van Haarlem

Sinds 1988 hebben er op Tell (het Arabische woord voor ruïneheuvel) Ibrahim Awad regelmatig opgravingen plaatsgevonden. Die worden nu voortgezet door het Allard Pierson Museum. De tell ligt op een afgelegen plek in de Egyptische provincie Sharqiya in de oostelijke Nijldelta. Tussen 1982 en 1988 vond in de wijde omgeving van de nabije districtshoofdstad Fakoes een archeologisch oppervlakte-onderzoek plaats. Daarbij bleek deze tell, die eigenlijk uit twee delen bestaat, een van de meest belovende archeologische sites te zijn. Twee proefsleuven uit 1986, een per tell, brachten respectievelijk dikke muren van wat later een Middenrijks-tempel bleek te zijn aan het licht, en een veel ouder rijk graf uit de 1ste Dynastie.
De tell ligt net buiten het dorp Oemm Agram. Het hoogste punt ligt nu nog zo’n drie meter boven het maaiveld, maar dat moet ooit meer zijn geweest. Ongeveer dertig jaar geleden is het middelste deel van de tell afgegraven voor een fruitboomgaard, waardoor de tell in twee delen is gesplitst en nu nog in totaal ongeveer 20.000 m2 omvat. Uitgebreide grondboringen hebben aangetoond dat dit niet meer dan 10% van de oorspronkelijke oppervlakte is; de rest is ooit afgegraven om landbouwgrond te winnen. De kern van de oorpronkelijke tell wordt gevormd door een zandrug, daar afgezet door het in een rivierbocht langzamer stromende Nijlwater. Zo’n zandrug bleef droog bij de jaarlijkse Nijloverstroming en was dus een goede plek voor een nederzetting. Van het zand zelf was al gauw niets meer te zien door de ophoping van bewoningslagen, uitendelijk zo’n vier meter dik. Omdat de Nijlarmen hier steeds van loop veranderden, is Tell Ibrahim Awad aan het begin van het Middenrijk verlaten, toen de dichtstbijzijnde Nijlarm door een andere bedding ging stromen en de nederzetting niet goed meer te bereiken was.

Onder de Middenrijks-tempel bleken nog zes oudere tempels te liggen, waarvan de vroegste teruggaat tot Naqada II. Dat maakt deze tempel tot een van de oudste, zo niet de oudste, die ooit in Egypte gevonden is. De belangwekkendste vondsten zijn gedaan in de tempel van het late Oude Rijk. Hier zijn lang gebruikte depots gevonden van votief- en cultusvoorwerpen die teruggaan tot de Vroeg- of zelfs Predynastische Tijd. Honderden beeldjes van onder meer mensen, bavianen, krokodillen, nijlpaarden en leeuwen werden door gelovigen in de tempel geofferd om een verzoek om genezing of een kinderwens kracht bij te zetten. Opvallend is dat overal in Egypte concentraties van dergelijke beeldjes in tempels uit dezelfde periode zijn aangetroffen: van Elephantine, Hiërakonpolis en Abydos in het zuiden tot het nabijgelegen Tell el-Farkha. Op dit gebied was Egypte al vroeg een culturele eenheid, eerder dan een politieke.

Naast het tempelterrein is een grafveld aangetroffen met tot dusver ongeveer tachtig begravingen, van het late Oude Rijk tot het Middenrijk. Het waren meest nogal armelijke graven, met vaak niet meer dan wat aardewerk en kralen als grafgiften. Dit in tegenstelling tot enkele grote en rijk voorziene graven uit de 1ste en 2de Dynastie op de tweede tell – al in de eerste proefsleuf ontdekt –, met veel en gevariëeerd aardewerk als bier- en wijnkruiken, veel stenen vaatwerk van calciet, basalt en schist, ivoren speelstukken enzovoort.

Voor de nabije toekomst staat verder onderzoek op stapel, zowel in de beide grafgroepen als naar de omvang van de nederzetting, onder andere met behulp van bodemmagnetisme, waarmee architectuurresten kunnen worden getraceerd.

The Dakhleh Oasis Project

A.J. Mills

The Dakhleh Oasis Project (DOP) is a study of an Egyptian oasis to determine its cultural evolution and parallel environmental evolution.  Data is collected by examining the surface of the area, through aerial photography, archaeological excavation, mapping, restoration, modelling, the examination of minute and large objects, comparisons, and teamwork amongst the variety of scholars who come to study the oasis in detail.  The field work is done with the permission and participation of Egyptian officials, as well a participating scholars from countries as diverse as Australia, Canada, USA, Netherlands, Austria, France, Germany, Poland, Italy, Britain, and others.

This international team began this study in 1978 with six members and now numbers well over 100 people.  In the oasis, the project is housed in two large buildings at 'Ain el-Gindi, near Mut the oasis capital.  Teams assemble in the oasis each winter between October and April.  There are geologists, botanists, zoologists, physicists, archaeologists, photographers, draughtsmen, conservators, surveyors, papyrologists, art historians, Egyptologists, epigraphers and students of various disciplines.  Daily, in the field camp, there is a transfer of information and ideas, and cooperation between various team members on problems that arise as the result of new discoveries.

The field work began in 1978 with a walking survey of the oasis landscape, when detailed observations of ancient sites and landscape indications and features were noted and discussed.  This occupied project members from 1978 until 1982.  A total of 450 ancient sites, dating somewhere between the Middle Pleistocene, 400,000 years ago,  when man first appeared in the oasis region, down to the present day.  Old Stone Age hunters, Neolithic settlers, ancient Egyptians, Romans, Christians, Muslims, have all been a part of the cultural evolution in the oasis region – truly a microcosm of the whole eastern Saharan and Egyptian landscapes.  Since 1982, after the completion of the walking survey, the project has undertaken various excavations to investigate various details of all the various aspects of our discoveries. 

Discoveries include the prehistoric rock art made by man during the Neolithic, which includes a wide variety of animals, both domestic and wild.  One of the most interesting of these are the many scenes of giraffes, being held by a tether held by a human; yet no physical remains of a giraffe have been discovered, despite the discovery of the bones of many other large African animals.  During the Neolithic, many cultural traits first appear, which are followed, some 500 years later, in the Nile Valley.  At about 100,000 years ago, we have discovered that most of the Dakhleh Oasis was submerged beneath a lake which was at  least thirty-five metres deep.  There were at least seven stone-built  temples in Dakhleh, located in various settlements.  These date to the Ptolemaic and Roman periods, although two of them go back into Pharaonic times.  They are well made and decorated with relief carving.  There are in addition, several mud brick temples, also of the Ptolemaic-Roman periods which are undecorated and were probably built by locals.  There is a large and important archive of 18th - 19th century documents of the villagers of el-Qasr, and there is an archive of Manichaean texts which comprise about one-quarter of all known texts of this Middle Eastern cult of the 2nd - 10th centuries AD.  Greek texts, written on thin boards include two bound books – the earliest codex books ever found in the world.  There is the only known temple dedicated to the god Tutu; and, at another temple,  a new  deity, Amun-Nakht, never before known to Egyptology.  There are many more.

Aims of the Dakhleh Oasis Project are many and varied and depend on the individual scholars who participate.  Discoveries are physical and intellectual, and will often be joined together.  A coherent picture of the whole, including the cultural and physical evolution of man in a changing environment is one goal we all share.  Restoration, both on paper and in the oasis is another.  So, we are restoring the multi-storey mudbrick houses of el-Qasr; a replica of  a Roman villa, complete with painted decoration on the inside walls, has been built on site at Amheida.  A decorated capital from the forecourt of the temple at 'Ain Birbiyeh is being recovered from its fallen location and will be rebuilt either at the site or at the new Dakhleh Oasis Museum.

Currently, there are some eight teams being fielded by the DOP.  These include the Islamic village of el-Qasr, the Pharaonic and Roman settlement at Amheida, the epigraphic study of the temples at Deir el-Hagar, Amheida, Mut el-Kharab, Ismant el-Kharab,and 'Ain Birbiyeh; excavation at the settlement sites at Amheida,  'Ain el-Gazzareen, Mut el-Kharab, Ismant el-Kharab. 'Ain Birbiyeh;  physical anthropology of the human remains at the cemeteries of Ismant el-Kharab; excavation of the Roman walls at el-Qasr; mapping and study of  stone quarries for temple construction; studies of texts in ancient Greek, in Coptic, and in Arabic languages; and a linguist studies the differences in the dialects between villages in the oasis.

Our publications are numerous, including several hundred in various academic and scientific journals, some sixteen monographs on various aspects of our oasis work published by Oxbow Press and by the National Archives Documentary Service in Cairo; museum collections in Toronto, at the Royal Ontario Museum, at the New Valley Museum in Kharga Oasis, and in the National Museum in Cairo. The project holds open meetings each three years as public symposia, which are also published.

Future plans are rather open-ended.  Our inclination is to follow the evidence we discover, which often leads into unexpected avenues and new ventures.

Further detailed information about the Dakhleh Oasis Project will be found in the websites of Monash University, of New York University,  of Tosha Dupras at University of Central Florida,of the Dakhleh Trust, and others.


De reconstructie van de villa van Serenus

Dorothea Schultz & Martin Hense

In 1979, tijdens een survey van de ruïnes van de laat antieke stad Trimithis (het moderne Amheida), ontdekte een team van het Dakhla Oase Project de bovenrand van rijk gedecoreerde muren. Het hoofdgebouw, inclusief de gedecoreerde kamers, werd vervolgens opgegraven in 2004 en 2007 door een team van de Columbia Universiteit, onder leiding van Roger S. Bagnall (inmiddels is de opgraving in Amheida een project van de Universiteit van New York). Het gebouw bleek uit de vierde eeuw te stammen en was ooit bewoond door een familie met een hoge sociale status: de heer des huizes maakte deel uit van het stadsbestuur. 

De deels goed bewaarde decoratie in vier van de kamers bestaat  uit geometrische patronen en figuratieve scènes. Zowel de schilderingen in situ als de talloze verzamelde fragmenten kampen met dezelfde 
conservatieproblemen: de pleisterlaag is extreem dun, niet veel meer dan de dikte van een eierschaal en net zo breekbaar. De beste manier om dit gebouw en de schilderingen voor latere generaties te bewaren bleek het opnieuw begraven van het gebouw te zijn, natuurlijk na uitvoerig onderzoek en documentatie. 


Aangezien dit unieke woonhuis onherroepelijk onherstelbaar beschadigd zou worden door openstelling voor het publiek, werd het  plan ontwikkeld om een reconstructie op ware grootte te bouwen. Het project wordt gefinancieerd door de Nederlandse Ambassade in Cairo, en geadministreerd door het Nederlands-Vlaams Instituut in Cairo. De villa, door Nicholas Warner direct naast de site van Amheida gebouwd, werd voltooid in 2009.
Zo gauw het gebouw klaar was konden Dorothea en Martin met de decoratie beginnen. Gedecoreerd zijn drie kamers: de Rode Kamer, de Groene Kamer en de Grote Kamer. De decoratie van de rode en groene kamer lijkt vrij veel op elkaar en bestaat uit een geometrisch patroon, dat opgebouwd is uit honderden circels, bloembladeren en duizenden stippen.

De Grote Kamer is van onder tot boven beschilderd. Ook hier vinden wij geometrische patronen rondom de kamer maar anders dan in de Rode en Groene kamer is het ‘wandbehang’ opgedeeld in kleinere stukken en heeft ieder stuk een ander patroon. Het lijkt wel alsof Serenus een boek met patronen had om uit te kiezen en gewoon alles wilde hebben. Ook de koepel is rijk versierd met geometrische patronen, die met veel moeite en geduld uit duizenden fragmenten gereconstrueerd moesten worden. Tussen het geometrische ‘wandbehang’ en de koepel in bevinden zich figuratieve scenes met veel goden en helden. Hier wordt nog aan gewerkt en wij hopen ook dit deel, eigenlijk het meest spannende, gauw op de muren te hebben zodat de bezoekers deze prachtige Villa kunnen bewonderen.


Deir el-Medina

Dr Rob Demarée of Leiden University is working at the Cairo Museum to study their collection of ostraca from Deir el-Medina. A large part of this collection remains unpublished; this promises to bring more information on this workmen's village, which is one of the specialities of Demarée and the Egyptology section of Leiden University. More information on their website.

Rock art research at Qurta

Dirk Huyge (Director) & Wouter Claes (Vice-Director)

In 2007, the Royal Museums of Art and History in Brussels started rock art research at Qurta, on the east bank of the Nile, along the northern edge of the Kom Ombo plain. The project was funded by Yale University. Three sites have been identified on the upper part of the Nubian sandstone cliffs bordering the Nile. The majority of the rock art consist of naturalistically drawn animal figures. The bulk of these animals are representations of wild cattle or aurochs, but birds, hippopotamus, gazelle and hartebeest are also present. In addition, there are also several highly stylized representations of human figures (mostly shown with protruding buttocks, but no other bodily features) and a small number of probable non-figurative or abstract signs. All the images are very darkly coloured, bear a substantially developed patination and/or rock varnish and show traces of intensive weathering. This in itself is already an indication of considerable antiquity.

Based on the particularities and the nature of the rock art, its general geographical and archaeological context, there is little doubt that the rock art repertoire at Qurta is extremely old. It can most probably be attributed to the Late Pleistocene Ballanan-Silsian culture which is dated to about 16000 to 15000 BP. As such, Qurta constitutes the oldest graphic activity recorded in Egypt until now. Whatever its precise chronological position in the Late Pleistocene, the Qurta rock art is quite unlike any other rock art found elsewhere in Egypt and Africa. It moreover provides clear evidence that Africa in general and Egypt in particular possess prehistoric art that is both chronologically and aesthetically closely comparable to the great Palaeolithic art traditions known for a long time on the European continent.



Selected bibliography:

- D. Huyge, M. Aubert, H. Barnard, W. Claes, J. C. Darnell, M. De Dapper, E. Figari, S. Ikram, A. Lebrun-Nélis & I. Therasse (2007), ‘Lascaux along the Nile’: Late Pleistocene Rock Art in Egypt, in: Antiquity –Project Gallery, vol. 81, nr. 313 (http://antiquity.ac.uk/ProjGall/huyge/index.html).

- D. Huyge (2008), Côa en Afrique: Art rupestre du Pleistocène récent le long du Nil égyptien – Côa in Africa : Late Pleistocene Rock Art along the Egyptian Nile, in : INORA, nr. 51, p. 1-7.
(http://www.bradshawfoundation.com/inora/pdf/51.pdf)

D. Huyge & W. Claes (2008) : ‘Ice Age’ Art along the Nile, in: Egyptian Archaeology. Bulletin of the Egypt Exploration Society, p. 25-28

ElKab

The Belgian mission to Elkab continued its work from 9/1 until 19/3/2000, directed by Dr Luc Limme and Dr Dirk Huyge (Royal Museums of Art and History, Brussels, and sponsored by the Fund for Scientific Research-Flanders). Continued was the investigation of the 2nd Dynasty cemetery on the lower slope of the main rock necropolis. So far more than 30 tombs have been excavated containing skeletons of both adults and children in contracted position. Many of the tombs are lined with unworked sandstone slabs. They are arranged in three circular structures, possibly originally covered by a mound and having a tumulus-like appearance. The grave gifts include pottery, stone vessels, faience and stone necklaces, and bone bracelets. In addition, a number of test trenches was sunk in the area immediately North of the town enclosure (between the Northern wall and the small temple of Tuthmosis III). Several thoroughly looted and/or previously excavated shaft and mastaba tombs of the Old Kingdom were found, including a large, well-preserved mudbrick mastaba structure with an offering niche on its Eastern side. Associated with this structure was a huge amount of pottery, mostly votive beer jars, datable on typological grounds to the 4th Dynasty. In the main rock necropolis epigraphical work was continued and completed in the tomb of Setau (EK4), dating from the Ramesside period (20th Dyn).

Recent publications:
A. Burnet, Elkab. Richesses d\'un sanctuaire, in: Archeologia 338 (1997), 44-51
S. Hendrickx, D. Huyge, Elkab, 1995. Tombes rupestres de l\'Ancien Empire, in: BLGIECE 20 (1997), 36-39
L. Limme, S. Hendrikx, D. Huyge, Elkab: Excavations in the Old Kingdom Rock Necropolis, in: Egyptian Archaeology 11 (1997), 3-6

Belgian Middle Egypt Prehistoric Project

This research project of the Catholic University of Leuven was created in 1976 by Professor Dr Pierre Vermeersch, who assumed its direction until 2003.
The present director is Professor Dr Philip Van Peer.

Geschiedenis

Het project werd opgestart in 1976 door Pierre M. Vermeersch en Etienne Paulissen van de Universiteit Leuven. Het was een terreinproject gericht op het begrip van de menselijke en geomorfologische geschiedenis van de Beneden Nijlvallei in de prehistorie, vertrekkend vanuit Midden-Egypte dat tot dan toe nauwelijks onderzocht was. Met de jaren werd het prospectiegebied uitgebreid naar het zuiden en kwam het zwaartepunt te liggen bij de studie van Paleolithische jagers-verzamelaars. Vanaf de jaren 1990 werkte het project in de oostelijke woestijn waar grotten en abri’s aanwezig zijn in de Eocene kalksteen. Hier hoopte het de residentiële sites die in de Vallei ontbraken, te vinden. De Sodmein grot in de Jebel Duwi formatie, de zuidelijkste uitbreiding van de kalksteen, werd als eerste onderzocht gedurende 3 campagnes. Daarnaast werd er geprospecteerd, naar zowel andere grotten als openlucht vindplaatsen. Dit werk liep tot in 2003 toen een laatste campagne werd opgezet in de woestijn ten westen van Hurghada.

Lopend

Na een onderbreking van 6 jaar werd het project terug opgenomen onder de leiding van Philip Van Peer die in de tussenperiode in de Midden Nijlvallei  in noordelijk Soedan had gewerkt, op de site Sai 8-B-11. Een samenwerking met het Duitse Collaborative Research Centre 806 waarvan de universiteit van Keulen de leidende instelling is, werd opgezet.  Dit interdisciplinair project onderzoekt de migratieroutes van vroege moderne mensen waarlangs ze over de noordelijke Oude Wereld verspreid geraakten. Deelproject A1, geleid door geograaf Olaf Bubenzer, werkt in Egypte en op de Rode Zee-kust als een mogelijke vroege migratiecorridor. Onder deze CRC 806 vlag, graven de beide universiteiten gezamenlijk verder in de Sodmein grot. Na de eerste her-verkenning in 2009 zijn tot nu toe drie opgravingscampagnes uitgevoerd.

el-Hosh

In March-April 2004, a Belgian-Egyptian team, sponsored by the Fund for Scientific Research – Flanders and directed by Dirk Huyge of the Royal Museums of Art and History in Brussels, continued rock art research at the sites of El-Hosh, on the west bank of the Nile, about 30 km south of Edfu. In addition to further recording, excavations were undertaken at several locations in order to find archaeological traces of the creators of the rock art. These activities led, amongst others, to the unexpected discovery of an intact tomb of the Naqada II period.

The rock art of El-Hosh has already been the subject of a survey organized in November 1998 (Huyge et al. 1998; Huyge 2000-2001). On that occasion a multitude of sites with thousands of petroglyphs was located. Attention was paid mainly to the oldest manifestations of rock art in the area representing intensively patinated, mushroom-shaped, curvilinear and geometric designs (including possible representations of labyrinth fish traps), as well as a number of seemingly associated anthropomorphic figures and zoomorphs. These drawings occur at three sites: Gebelet Jussef, Abu Tanqurah Bahari and Abu Tanqurah Qibli. At El-Hosh, it has been possible, for the first time in African rock art research, to obtain direct ages (termini ante quem) for the rock drawings on the basis of Accelerator Mass Spectrometry (AMS) 14C dating of organic matter enclosed in rock varnish [see Huyge et al.200; Huyge et al. 2002-2003]. The results indicate that part of the rock art at El-Hosh pre-dates the early 7th millennium BP 9mid 6th millennium cal BC), making it the oldest graphic activity thus far recorded in the Nile Valley.

Further surveying of the El-Hosh area in March-April 2004 has led to the discovery of several new rock art localities bearing an archaic repertoire of drawings. The most remarkable find, however, was a new petroglyph location at the southernmost tip of Abu Tanqurah Bahari. It shows several images of bovids executed in a ‘Franco-Cantabrian, Lascaux-like’ style. They are quite different from the stylized cattle representations in ‘classical’ Predynastic iconography of the 4th millennium BC. On the basis of patination and weathering, these bovid representations are definitely extremely old (possibly Late Palaeolithic or Early Neolithic?). They are comparable to similar bovid images that had been discovered in 1962-1963 on the opposite bank of the Nile, in the Gebel Silsila area (see Smith 1985).

With the intention to recover archaeological traces of the people responsible for the creation of the archaic rock art repertoire at El-Hosh, several soundings were made at the site of Gebelet Jussef. Three of the four soundings were made at shelter-like overhangs in the vicinity of rock art panels. Unfortunately, the shallow deposits in these shelters were thoroughly disturbed and no archaeological material was found in situ. The finds, mainly ceramics, indicate that the site of Gebelet Jussef was frequented throughout the Predynastic and early pharaonic periods. Traces of occupation phases which could be linked to the pre-7th millennium rock art repertoire, however, were not found.

In addition, a number of circular stone structures were investigated at the southern extremity of Gebelet Jussef. On the basis of the rough ceramics found in and near these constructions, these are probably ‘Bedouin’ and/or ‘Nubian’ in nature. Their function and age remain unknown. Below one of the structures, but evidently unrelated to it, an intact tomb was found, dug into the bedrock. This tomb is clearly of Naqada IIC age (c. 3500-3400 BC) and contained a skeleton and a number of grave goods including two small Rough jars, two large Red-Polished bowls and a superb Decorated vase. The latter item is decorated with boats, human figures and birds. The deceased faced west and was buried in a contracted position, the hands covering the face. Below the skeleton lay several well preserved fragments of a reed matting. According to a preliminary anthropological analysis (by Dr. Caroline Polet) the skeleton is probably that of a female aged between forty and fifty and with a stature of about 1.55-1.60 m. It is currently unknown whether or not this tomb indicates the location of a Naqada II cemetery.

References

D. Huyge, M. De Dapper, D. Depraetere, M. Ismail, E. Marchi, R. Mommaerts, I. Regulski and A. Watchman, Hilltops, Silts, and Petroglyphs: ‘The Fish Hunters of El-Hosh (Upper Egypt)’, Bulletin van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis/Bulletin des Musées royaux d’Art et d’Histoire 69 (1998), 97-113.

D. Huyge, ‘Rock Art Research in Upper Egypt: The Environs of El-Hosh. Report on the work done in 1998’, Annales du Service des Antiquités de l’Egypte 76 (2000-2001), 45-52.

D. Huyge, A. Watchman, M. De Dapper and E. Marchi E., ‘Dating Egypt’s Oldest ‘Art’: AMS 14C Age Determinations of Rock Varnishes Covering Petroglyphs at El-Hosh (Upper Egypt)’, Antiquity 75 (2001), 68-72.

D. Huyge, M. De Dapper, E. Marchi and A. Watchman, ‘Les chasseurs de poissons d’El-Hosh (Haute-Egypte): l’art rupestre le plus ancien de la vallée du Nil’, in J. Polet (dir.), Afrique: Archéologie & Arts 2 (Paris, 2002-2003), 39-46.

P.E.L. Smith, ‘An Enigmatic Frieze from Upper Egypt : A Problem in Nilotic Rock Art’, in M. Liverani, A. Palmieri and R. Peroni (eds), Studi di paletnologia in onore di Salvatore M. Puglisi (Roma, 1985), 359-368.


Dayr al Barsha project

Director: Professor dr Harco Willems (University of Leuven)

This project began in 1988 as an initiative of Harco Willems, then working for Leiden University. The original intention was to publish the field records of Reisner’s expedition in 1915 in conjunction with an epigraphic record of some Middle Kingdom tombs. Because Reisner's records are kept in the Museum of Fine Arts at Boston, a joint mission was started with that museum and the University Museum at Philadelphia; this collaborative effort realized one field campaign (1990). After hibernating between 1992 and 2001, the project, now based at KU Leuven, was restarted. Its is mainly funded by Fonds Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen and the Bijzonder Onderzoeksfonds of Leuven University, but also by international funding agencies.

The project aims at providing a regional description of the archaeology of the region around Dayr al-Barsha, the southern limit being at al-Shaykh Sa’id and the northern one at Dayr Abu Hinnis. A main focus of attention is the cemeteries at the desert fringe in this entire area, which span the period between the Third Dynasty and the Graeco-Roman Period. The current research interest is to analyze the spatial distribution of the many cemeteries in the region. Based on surface surveys, ground- and satellite-based remote sensing, targeted excavations, and epigraphic work, the project is generating site histories of each of the cemetery sites in the region, in order to establish a basic demographic profile of the buried populations. Preliminary results can be summarized as follows.

In the Third Dynasty, a poor but huge cemetery emerged on the hill slopes between northern Dayr al-Barsha and Dayr Abu Hinnis. Later in the Old Kingdom (as of the Fifth Dynasty, but mainly in the Sixth) several rock cut tomb cemeteries emerged on the north and south flanks of the Wadi Nakhla (in Dayr al-Barsha). At the same time, an important cemetery for provincial governors, which is now being investigated, emerged at al-Shaykh Sa’id. In the First Intermediate Period a cemetery of the highest elite emerged in what is now the village centre of Dayr al-Barsha. In the Middle Kingdom a vast cemetery extended from here across the desert plain and the hilltops further east, the latter area being occupied by the nomarchs' tombs. In the Second Intermediate Period and Early New Kingdom, poorer burials were mostly deposited in older tombs. After this, burial activity stopped almost until the Late or Ptolemaic Period. Probably the main provincial cemetery was now moved to Tuna al-Jabal on the west bank. Extensive late cemeteries exist, however, near al-Shaykh Sa’id. All these cemeteries must relate to settlements in the Nile Valley.

Reconstruction of this landscape is currently being undertaken, the aim being to contextualize the cemeteries within its floodplain environment. Therefore, geomorphological research is now also being carried out on the west bank, in collaboration with geographers of Leuven University.

Research is also focusing on ancient economic activity in the region, and most notably on quarrying. In collaboration with historians of Leuven University, the vast limestone quarries from the time of Nectanebo I in the Wadi Nakhla, which among other things contain hundreds of demotic graffiti, are being recorded. At al-Shaykh Sa’id, quarry and stone processing activity dating back to the Fourth Dynasty is being investigated. Here probably a royal domain of that date existed. The site was later re-used between the Amarna Period and the Late Period. Most importantly, a recent initiative is the investigation of the Amarna Period quarries in the entire region. Although some exist near al-Shaykh Sa’id, the most important cluster extends between Dayr al-Barsha and Dayr Abu Hinnis. This is currently being mapped and the texts, bearing on the building history of Amarna, are being recorded.

The area also contains extensive testimony of early Christian activity. Study of this has mostly focused on the laura and rock church of John the Baptist at Dayr Abū Hinnis.

The latest research initiative is to investigate the landscape with the aim to locate settlements and ancient waterways between Dayr al-Barsha and the ancient regional capital at al-Ashmunayn.

Shanhur

Dr Harco Willems

In 1992 KU Leuven, then in collaboration with the Université Charles de Gaulle Lille III, began research at the Roman temple and surrounding settlement at Shanhur. Initially, the project was directed by Jan Quaegebeur, and, since the latter's death, by Harco Willems. Research has been mainly funded by Fonds Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen and the Bijzonder Onderzoeksfonds of KU Leuven. This enabled an intensive programme of field research until 2001. In 2010, in collaboration with Swansea University (Martina Minas-Nerpel), a last field season was carried out sponsored by the Gerda Henkel Stiftung.

During the field campaigns, it has been possible to reconstruct the building history of the temple, which was initiated under Augustus, and where the latest texts date to the reign of Trajan. However, occasional finds at the site suggest that the temple had earlier precursors. To date, one volume of the final publication has appeared, which describes the decoration of the interior. From this, it appears that the temple was dedicated to a form of Isis of whom four manifestations were venerated. The temple clearly stands in the theological tradition of the temples at Coptos.

Architectural study has revealed that, as a secondary addition, a colonnade was built around the rear part of the temple (or at least at the northern and western sides), giving the building the partial appearance of a peripteral temple. As of the fifth century AD, the building became inhabited by Copts. There are clear traces that they ransacked and burned the temple prior to establishing themselves. Among the spoils, some badly damaged pieces of temple equipment were found.

Currently, the final volumes are being prepared for publication.

The Qasr Dakhleh Project

Project director: Dr. Fred Leemhuis

The Qasr Dakhleh Project (QDP) started in 2002 with two objectives:

1. To document and restore some of the unique mud brick architecture of the little oasis town of al-Qasr in the Dachla Oasis.
2. To try to find out as much as possible about the history of al-Qasr.

Supported by the University of Groningen and the Netherlands Embassy in Cairo we were, over the years, able to restore or reconstruct five rather large houses, some of them four stories high.  In the course of this some six hundred documents were found in the largest house; all part of a family archive. Since the end of 2006 we have tried to obtain permission to introduce water and electricity. The idea behind this was to make them ready for contemporary use, so that they will be maintained in good order. Just now, we have put the first electrical conduits in place.

After the discovery in 2006 of big part of a Roman wall of about six meters wide excavations were started in 2008 to know more about it. We now know that al-Qasr started as a Roman castrum. This year the excavations are going on. We hope to find indications of the continuity of habitation, or otherwise, since the Byzantines left the oasis.

More information on dachlalog.posterous.com

De pottenbakkers van Fustat

Door Kim Duistermaat (NVIC) en Niels Groot (TU Delft)

Wie recentelijk in Fustat geweest is, heeft het kunnen zien: in de pottenbakkerswijk tussen Koptisch Cairo en de archeologische site van Fustat wordt druk gebouwd aan nieuwe, betonnen gebouwen met koepeldaken. Waar zijn die voor bedoeld? Wat gebeurt er met de oude pottenbakkerswerkplaatsen? En waarom is NVIC daar een nieuw ethnoarchaeologisch project begonnen?

Fustat, de naam van het middeleeuwse Cairo, was beroemd om het prachtig geglazuurde aardewerk dat er werd geproduceerd. Sindsdien hebben er altijd pottenbakkers gewerkt in dit deel van de stad. Nog steeds zijn de pottenbakkerijen in Cairo geconcentreerd in dit gebied. Lange tijd waren de pottenbakkerswerkplaatsen gelocaliseerd rond de moskee van Amr Ibn el-‘As. Toen de archaeologische site Fustat door de oudheidkundige dienst werd ommuurd en voor publiek toegankelijk werd gemaakt, moesten de pottenbakkers verhuizen. De meesten verplaatsten hun werkplaatsen naar het zuiden, naar een gebied dat ‘Batn el-Baqara’ heet. Maar in 1999 wilde de Egyptische overheid de pottenbakkers ook hier weg hebben: de zwarte rook van de ovens was te vervuilend. Daarop ontwikkelden de pottenbakkers samen met een locale NGO een plan om de werkplaatsen te moderniseren. Op dit moment worden de oude werkplaatsen een voor een afgebroken, om plaats te maken voor nieuwe gebouwen. Het is de bedoeling dat de pottenbakkers hier straks terugkeren, en onder modernere en schonere omstandigheden hun werk voortzetten. 

Voor archeologen zijn ‘traditionele’ ambachten interessant. Immers, alleen op deze manier is direct te zien hoe bepaalde technieken werken, hoe gereedschap en ruimte gebruikt wordt, hoe mensen zich organiseren en hoe hun activiteiten materiele sporen nalaten. De pottenbakkers in Fustat werden twee keer gedocumenteerd door ethnoarcheologen. De eerste keer, in de 70-er jaren, deed een Frans-Egyptisch team een uitgebreide studie naar de werkplaatsen, de gebouwen, gereedschappen en producten. De meeste pottenbakkers maakten ‘olla’s’, waterkruiken, die gebakken werden in reusachtige ovens met twee of drie verdiepingen. In 1998 bezocht een klein team van het NVIC de pottenbakkers nogmaals voor een korte inventarisatie. Het bleek dat de productie van waterkruiken was gestopt, en dat er nu allerlei soorten potten werden gemaakt. Vandaag de dag maken de pottenbakkers een grote varieteit aan tuinpotten, dakpannen, lantarens en tuindecoraties. De grote ovens zijn verdwenen, en in plaats daarvan worden kleine ovens gebruikt. Door de aanstaande veranderingen in Fustat zal ook het werk van de pottenbakkers veranderen. Sommigen zullen niet in staat zijn de afbraak van hun oude werkplaats en het wachten op de nieuwe ruimte te overbruggen. Zij zullen elders een werkplaats beginnen of het ambacht zelfs helemaal verlaten. Anderen zullen verder gaan, maar hun werk zal veranderen. Ze zullen gasovens in plaats van houtovens gebruiken, een ander soort ruimtes tot hun beschikking hebben, misschien meer aanloop van toeristen krijgen, etc.

Om de pottenbakkerijen van Fustat nog een laatste keer in detail te documenteren voordat deze veranderingen plaatsvinden, begon het NVIC in 2008 een ethnoarcheologisch documentatieproject. Het project wordt uitgevoerd in samenwerking met de Universiteit Leiden en de Technische Universiteit Delft, en wordt gefinancieerd door de Nederlandse Ambassade in Cairo. Op basis van archeologische vraagstellingen wordt een beschrijving gemaakt van technologie, ruimtegebruik en organisatie. De beschrijvingen worden geillustreerd met kaarten, foto’s en video. De eindpublicatie zal verder worden aangevuld met informatie over de archeologische en historische bronnen over aardewerkproductie in Fustat, en zal de huidige situatie vergelijken met die in de 70-er jaren. Toen het project begon, waren er nog ca. 10 werkplaatsen in bedrijf, van de tientallen die hier ooit gelocaliseerd waren.

Het meeste veldwerk werd uitgevoerd in oktober en november 2008. Het Nederlandse team, bestaande uit A. Van As, L. Jacobs (Universiteit Leiden) en Niels Groot (TU Delft) bracht drie weken door in Fustat. Zij bestudeerden productietechnieken en ruimtegebruik. Drie Leidse studenten archeologie assisteerden hen (R. Zineldeen, N. Staring en J. Schoester). Een studente Visuele Antropologie, F. Breeksema, legde alle werkzaamheden in detail vast op film. De architectuur werd gedocumenteerd door D. Bakhoum en haar assistenten, terwijl M. Kačičnik de fotografische documentatie verzorgde. Verder werkt K. Duistermaat aan een studie van de productie-organisatie, en zal P. Sheehan zich buigen over een overzicht van de archeologische en historische informatie over de pottenbakkers van Fustat.

Tijdens dit onderzoek zijn we geraakt door de gastvrijheid en de bereidheid van de pottenbakkers om ons te helpen met ons onderzoek, zelfs toen we als groep met camera en al door de werkplaatsen rondzwierven. Ze stonden ons daarnaast vriendelijk te woord als we vragen hadden, en zelfs als we geen vragen hadden was er altijd tijd voor een praatje.

Verdere literatuur:
Duistermaat, K. and N.C.F. Groot (2008), A new ethnoarchaeological documentation project at the Fustat pottery workshops, Egypt. Leiden Journal of Pottery Studies 24: 181-186.

Golvin, L., J. Thiriot and M. Zakariya (1982), Les potiers actuels de Fustat, IFAO Cairo.

Van der Kooij, G. and W.Z. Wendrich (2002), The potters of el-Fustat (Cairo) and el-Nazla (Fayoum). In:
W.Z. Wendrich and G. van der Kooij (eds.), Moving Matters. Ethnoarchaeology in the Near East, Leiden: 147-158.
 


 
Laatst Gewijzigd: 09-03-2015